Gerard Riemen (Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen): Samenwerken doe je niet alleen

Deze gastcolumn is niet bedoeld om u te overtuigen van het nut en de noodzaak tot samenwerking. Samenwerking is iets waar maar weinig argumenten tegen zijn aan te dragen. Als pensioenkoepels zien we bijvoorbeeld graag de Ministeries van SZW en Financiën goed samenwerken. En zou het niet mooi zijn als AFM en DNB in goede harmonie samenwerken?. Als we even verder kijken dan ons directe belang, dan is samenwerking zelfs op mondiaal niveau een nastrevenswaardige zaak. Het is de basis voor de Verenigde Naties, de Europese Unie en de NAVO. Kortom, samenwerking daar zijn we allemaal voor.
En toch is het razend moeilijk. Zelfs als er een aantoonbare noodzaak is, kan het lang duren voordat samenwerking tot stand komt. Ik heb in mijn vorige functie vanuit het Ministerie van SZW veel moeten investeren in samenwerking met instanties als de UWV, de SVB, de Belastingdienst en het CWI en ook nog eens in de samenwerking tussen die instanties onderling. Het project Walvis, dat moest leiden tot een vergaande administratieve verlichting voor het bedrijfsleven (en daarmee ook voor pensioenfondsen), liep helemaal vast. Eén van de belangrijke oorzaken daarvan was het gebrek aan samenwerking tussen de UWV en de Belastingdienst. Ook de samenwerking tussen het ministerie en de genoemde instanties verliep niet soepel.
In al die gevallen waar samenwerking niet van de grond komt terwijl dat evident wel gewenst of zelfs noodzakelijk is (en u, geachte lezer, zal er weinig moeite mee hebben talloze van deze situaties te schetsen) valt op dat het vrijwel nooit fout gaat omdat een van de partijen ontkent hoe belangrijk samenwerking is. Integendeel, van hoog tot laag wordt met de mond beleden dat er goed samengewerkt moet worden en dat de wil daartoe er is. Maar ja, die andere partij hè! Terwijl ook die andere partij niet onder stoelen of banken steekt de samenwerking van harte te zoeken. Het zal u duidelijk zijn: aan de bereidheid tot samenwerking ligt het meestal niet.
Ik denk wel dat zwaar wordt onderschat dat samenwerken een reuze lastig, arbeidsintensief karwei is dat alleen kan slagen als alle betrokkenen er veel energie insteken. Je moet elkaar
kunnen vinden en verstaan, bereidheid hebben oog te hebben voor de problemen van de ander en in staat zijn om tot een oplossing van die problemen te komen, zelfs als dat voor een deel niet past in wat je eigen organisatie voor ogen staat. Samenwerken vergt dus veel meer dan bereidheid en goede intenties.
De besturen van de drie pensioenkoepels hebben in hun gezamenlijke verklaring dan ook meer gedaan dan de wens uitspreken om te komen tot een intensivering van de samenwerking. Die intensivering is heel concreet gemaakt door op een aantal dossiers af te spreken om gezamenlijk op te trekken. Op die dossiers oefenen we dus in een stuurgroep in het elkaar kunnen vinden, in het elkaar verstaan en in het oog hebben voor de problemen van de ander. Ook oefenen we in het vinden van oplossingen die misschien soms bij je eigen koepel wat pijn doen.
Het is nog veel te vroeg om de balans op te maken. Tot op heden hebben we alleen het dossier indexatielabel mogen afronden. Toch durf ik al te stellen dat van de zijde van de gezamenlijke stuurgroep en van de drie bureaus veel stappen in de goede richting zijn en worden gezet. Ik vertrouw dan ook nu al op een positieve eindevaluatie.
Wel is er een risico: hoe voorkomen we dat straks de stuurgroep en de bureaus een ander oordeel over het proces hebben dan de aangeslotenen en de leden? Het spreekt voor zich dat ieder bestuur in z’n communicatie met z’n achterban zich inspant om goed weer te geven wat er gebeurt en wat de voordelen van de samenwerking zijn. Ook moeten de signalen over wat de achterban ervan vindt worden opgevangen. Maar als het daarbij blijft, zet dat de bestuurders en directeuren van al die betrokken pensioenfondsen in een passieve positie. Ik zie ze juist graag in een meer actieve positie. Iedere bestuurder en directeur kan z’n bijdrage leveren. Zet de vooroordelen die er over de andere koepels bestaan opzij. En laten we eerlijk zijn: die vooroordelen zijn er bij alle partijen. Span je echt in om te zien waarom een fonds anders tegen een bepaald probleem aankijkt dan je eigen fonds. En durf vervolgens offers te brengen om tot een oplossing te komen.
Vraag ik nu veel? Wellicht, maar het is precies wat de ondernemingspensioenfondsen onderling hebben gedaan om tot de vorming van de Stichting OPF te komen. Het is wat de bedrijfstakpensioenfondsen hebben gedaan om tot de VB te komen en wat de beroepspensioenfondsen hebben gedaan om de UvB te vormen. Samen moeten we dat kunstje nog een keer flikken om die geïntensiveerde samenwerking en het vervolg daarvan voor elkaar te krijgen. Ik geloof dat we dat kunnen. Het gaat lukken.
Gerard Riemen
Directeur Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen