Het lijkt zo redelijk: de levensverwachting loopt op, de grijze druk neemt daardoor toe dus moet de AOW-leeftijd omhoog naar 67 jaar. Op die manier wordt tevens een bijdrage geleverd aan het op lange termijn gezond maken van de overheidsfinanciën.
Waarom is de FNV mordicus tegen ? Waar zitten de denkfouten die ons kabinet maakt? Op die vragen wil ik in deze column graag ingaan.
Het is goed om eerst vast te stellen dat de waarde van ons AOW pensioen wordt bepaald door de combinatie van de lengte van onze levensverwachting en van de kwaliteit van de pensioenuitkering. Als de pensioenuitkering sterker bij de totale inkomensgroei achterblijft dan dat de levensverwachting toe neemt loopt de waarde van ons pensioen achter bij de welvaartsontwikkeling en zal de pensioenpremie als percentage van het BBP dus kunnen dalen. (Dit uiteraard bij een gelijkblijvende demografie).
Welke ontwikkelingen ziet het kabinet over het hoofd?
Kernpunt is dat het kabinet een blinde vlek heeft voor de systematische, zeer geleidelijke uitholling van de AOW-uitkeringshoogte. Die blijft achter bij de ontwikkeling van de verdiende lonen, en blijft nog verder achter bij de ontwikkeling van het gemiddelde gezinsinkomen. Als de AOW sinds 1990 zijn relatieve positie t.o.v. het gemiddeld verdiende individuele inkomen zou hebben behouden hadden AOW-gerechtigden anno 2009 een 14% hogere bruto AOW moeten hebben. Voor het bruto minimumloon geldt dat zelfs in versterkte mate, daar loopt dit percentage op tot 21%! De AOW (en het minimumloon) blijven ten opzicht van de verdiende loonontwikkeling vooral achter doordat de incidentele loonontwikkeling, die circa 0,5% á 0,7% per jaar bedraagt niet wordt meegekoppeld. De incidentele loonontwikkeling wordt opgestuwd door factoren zoals de stijgende scholingsgraad, meer prestatiebeloning die niet in de contractloonontwikkeling tot uitdrukking komen en regelmatige processen van functieherwaarderingen die tot hogere loonsomuitkomsten leiden.
De AOW blijft t.o.v. de groei van het gezinsinkomen nog extra achter omdat de stijgendearbeidsparticipatie van vooral vrouwen niet leidt tot een opwaartse aanpassing van de AOW. In de ons omringende landen is het eerste pijlerpensioen gekoppeld aan de verdiende lonen. Als daar de arbeidsparticipatie oploopt omdat er bijv. meer vrouwen meer uren gaan werken dan bouwen die vrouwen ook daardoor meer pensioenrechten op in de eerste pijler. In Nederland is dat niet het geval. Het gevolg is dat de AOW niet alleen achterloopt bij de individuele inkomensontwikkeling maar nog veel sterker achterloopt bij de ontwikkeling van het gezinsinkomen. Ook als gevolg van deze ontwikkeling is het belang van het eerste pijlerpensioen steeds verder afgenomen en groeit het belang van het tweede pijlerpensioen. Als daar vervolgens zaken mislopen (zoals nu bij de kredietcrisis het geval is) heeft dat daarmee een steeds grotere negatieve invloed op de pensioenkwaliteit.
De uitholling van de AOW verloopt zelfs sneller dan de stijging van de levensverwachting (na 65jarige leeftijd). De levensverwachting steeg in de afgelopen 50 jaar met 0,45 % per jaar terwijl de incidentele loonontwikkeling in diezelfde periode met 0,75 % per jaar steeg. Een aantal OESO-landen, 13 om precies te zijn, heeft de pensioenuitkeringen gekoppeld aan de levensverwachting. Doorgaans gebeurt dit via een flexibele pensioenleeftijd. Nederland kent zo’n koppeling niet. Maar bij ons wordt op een wat andere manier materieel wel een nog groter effect bereikt !
Conclusie FNV
Conclusie is dus dat de stijging van onze AOW-uitkering achterblijft bij de stijging van de levensverwachting. Daarmee wordt onze eerste pijlerpensioen steeds verder uitgehold.
Een stijging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar is onnodig. Maar daarnaast is zo’n stijging ook onrechtvaardig en ongewenst. Onrechtvaardig omdat vooral lagere en middeninkomens worden getroffen. Ongewenst omdat de balans tussen eerste en tweede pijler steeds verder wordt verstoord.
Een flexibele AOW tesamen met een flexibel pensioen volstaat. De arbeidsparticipatie van 65- en 66-jarigen zal ook zonder aantasting van de AOW oplopen omdat de AOW achterblijft en omdat de tweede pijlerpensioenen voor veel deelnemers door allerlei oorzaken niet op 70% eindloon zullen uitkomen. Daartoe is het wel gewenst dat werknemers niet langer automatisch op hun 65ste worden ontslagen. Iedereen die langer wil doorwerken zou daartoe in de gelegenheid moeten worden gesteld. Langer doorwerken door oudere werknemers is bijzonder lonend, sinds het amendement Vendrik. Dit effect zou kunnen worden versterkt door ook de AOW uitkering actuarieel op te renten.
Via een hogere arbeidsparticipatie van oudere werknemers wordt extra pensioenopbouw gegenereerd. Dit leidt daarmee direct en indirect tot hogere belastinginkomsten die het draagvlak onder de AOW schragen.
Daarnaast is het gewenst dat de AOW-financiering volledig via de belastingen gaat verlopen en dat daarmee het belastingtraject voor 65-minners en 65-plussers gelijk wordt getrokken. . Het is daarbij welgewenst dat via inkomenafhankelijke ouderentoeslag de 65plussers met lagere inkomens daarbij worden ontzien.
Op deze manier zijn gezonde overheidsfinanciën en het handhaven van de AOW-premie met elkaar op een lijn te brengen.
Chris Driessen
Strategisch Beleidsadviseur Vakcentrale FNV
reacties: chris.driessen@vc.fnv.nl